Menu
Terug

Haal meer uit je camera

Tips van onze expert
Leestijd minuten
27 maart 2018

Heb je net een nieuwe systeem- of reflexcamera aangekocht? Proficiat, hiermee kun je prachtige foto’s (en video’s) maken. Onze experttips zetten je op weg om snel het meeste uit je nieuwe aanwinst te halen.

Opnamemodus

Met een reflex- of systeemcamera maak je een foto precies zoals jij wilt. De opnamemodus bepaalt daarbij hoe jij de camera wilt bedienen. Op veel toestellen selecteer je de opnamemodus via een wieltje aan de bovenzijde; op andere moet je hiervoor in het menu duiken. De benamingen verschillen van fabrikant tot fabrikant, maar in wezen doen ze allemaal hetzelfde.

In de volautomatische opnamemodus (vaak aangeduid met een groen camerapictogram) berekent de camera zelf welke sluitertijd en welke diafragmaopening nodig is om een goed belichte foto te maken. Als je je toestel nog moet leren kennen, is de volautomatische opnamemodus een goed vertrekpunt. Ook als je je toestel even uitleent aan iemand die niets van camera’s kent, schakel je best de volautomatische modus in. De programmamodus (vaak aangeduid met een P) is in feite ook een automatische opnamemodus. Het verschil is dat je in de Programmamodus zelf nog een aantal instellingen kunt wijzigen.

Open en toe

Bij de opnamemodus Diafragmavoorkeuze (vaak aangeduid met de letter A of Av) bepaal jij hoe groot de diafragmaopening wordt. Het diafragma is een verstelbare opening in de lens die licht doorlaat. Diafragma is heel belangrijk in de fotografie, omdat het direct beïnvloedt hoeveel in je foto scherp is. Met een groot diafragma, een grote opening dus, is er heel weinig scherp. Dat is bijvoorbeeld heel mooi bij een portret: het gezicht is dan scherp en de achtergrond mooi onscherp. (ontdek hier onze andere tips over portretfotografie) Voor een landschapsfoto wil je dan weer dat alles scherp is van voor tot achter, en dan heb je een klein diafragma nodig.

In de opnamemodus Diafragmavoorkeuze stel je zelf het diafragma in. De camera berekent dan welke sluitertijd nodig is voor een goed belichte foto. Probeer het eens uit: zet je camera op Diafragmavoorkeuze en maak een reeks opnames waarbij je steeds het diafragma aanpast. Wat is het effect?

Snel en traag

Bij de opnamemodus Sluitertijdvoorkeuze (vaak aangeduid met de letter S, T of Tv) bepaal jij hoe snel de sluitertijd wordt. De sluitertijd - uitgedrukt in seconden of delen van een seconde - bepaalt hoe lang de foto belicht wordt. Hoe langer de sluitertijd, hoe meer licht er door de lens mag. Wil je bewegende onderwerpen fotograferen, zoals spelende kinderen, sporters of dieren, dan kies je een korte sluitertijd, bijvoorbeeld 1/500 seconde of nog korter. Een lange sluitertijd helpt dan weer om een bewegend onderwerp te ‘vervagen’, zoals water dat over een waterval stroomt, en om foto’s van een sterrenhemel te maken. Bij lange sluitertijden is het belangrijk dat de camera zelf niet beweegt tijdens de opname. Je gebruikt daarom best een statief.

In de opnamemodus Sluitertijdvoorkeuze stel je zelf de sluitertijd in. De camera berekent welk diafragma nodig is voor een goed belichte foto. Probeer het eens uit: zet je camera op Sluitertijdvoorkeuze en maak een reeks opnames waarbij je steeds de sluitertijd aanpast. Wat is het effect?

Met de hand

Sluitertijdvoorkeuze en Diafragmavoorkeuze zijn goede manieren om de mogelijkheden van je camera te leren kennen en te ervaren wat de effecten van sluitertijd en diafragma zijn. Heb je deze onder de knie, dan kun je gaan oefenen met de manuele opnamemodus (vaak aangeduid met de letter M). Hier kies je zelf de sluitertijd en het diafragma. Dit is de moeilijkste opnamemodus, want als je de sluitertijd te kort of het diafragma te klein maakt, zal je foto onderbelicht zijn.

Als je in open lucht fotografeert, waar de lichtomstandigheden snel kunnen veranderen, is de manuele opnamemodus daarom niet de beste keuze. Een fotostudio waar je als fotograaf het licht helemaal onder controle hebt, is een betere plek om manueel te werken.

Gevoelig baasje

De gevoeligheid of ISO-waarde bepaalt hoe gevoelig je camera is voor licht. Als je de gevoeligheid of ISO-waarde verhoogt, is er minder licht nodig om een goed belichte foto te maken. Op een zonnige dag in open lucht is er veel licht aanwezig en kun je een lage gevoeligheid gebruiken, bijvoorbeeld ISO 100 of 200. Binnenshuis en ’s avonds is er minder licht, en dus moet de gevoeligheid omhoog naar bijvoorbeeld ISO 1.600 of 3.200. Hoge gevoeligheden hebben echter een nadeel: er is kans op ‘ruis’, een soort spikkeltjes in je beeld. Probeer daarom de gevoeligheid zo laag te houden als de lichtomstandigheden toelaten.

De meeste camera’s hebben tegenwoordig een Auto ISO-instelling. De camera kiest daarbij zelf de gevoeligheid die nodig is om een goed belichte foto te maken. Dat werkt zowel in de volautomatische opnamemodus als bij Sluitertijd- en Diafragmavoorkeuze, en op sommige modellen zelfs bij de manuele opnamemodus. Auto ISO is een heel nuttig hulpmiddel, omdat het jou toelaat je te concentreren op de sluitertijd en het diafragma. Hous wel in de gaten dat de camera de gevoeligheid niet te hoog maakt, want dat gaat zoals gezegd ten koste van de beeldkwaliteit.

Houd het scherp

Tenzij je artistieke ambities hebt, is het de bedoeling dat het onderwerp dat je fotografeert ook scherp op de foto staat. De autofocus van je camera helpt je daarbij: zodra je de ontspanknop half indrukt, stelt de camera scherp op het onderwerp dat je selecteert. Een reflex- of systeemcamera heeft meestal twee verschillende autofocusmethodes. Bij enkele autofocus (AF-S) stelt de camera scherp op het onderwerp en houdt de scherpstelling op dat punt zolang je de ontspanknop half ingedrukt houdt. Dit is de beste methode voor onderwerpen die niet bewegen, zoals portretten van personen, landschappen en gebouwen.

Bij continue autofocus (AF-C) stelt de camera scherp op het onderwerp; zolang je de ontspanknop half ingedrukt, zal de autofocus dat onderwerp proberen te ‘volgen’. Wanneer je onderwerp beweegt, verschuift de autofocus mee. Continue autofocus gebruik je om sport, actie en dieren te fotograferen.

Kies je punt

Zowel bij AF-S als bij AF-C kun je zelf bepalen waarop de camera moet scherpstellen door een of meerdere focuspunten te kiezen. Als je door de zoeker van een reflexcamera kijkt, zie je een aantal rechthoekjes of vierkantjes: elk daarvan is een focuspunt. Wanneer je de zoeker half indrukt, zal het gebruikte focuspunt oplichten. Op een systeemcamera zal je op het scherm of in de elektronische zoeker zien welk focuspunt de camera gebruikt.

Moderne camera’s bevatten soms tientallen of honderden focuspunten. Je kunt die allemaal actief laten. Als je de camera op je onderwerp richt en de ontspanknop half indrukt, zal je camera zelf proberen te ontdekken waar het belangrijkste onderwerp staat en daarop scherpstellen. Je begrijpt al: dat is niet altijd de beste manier. Zet je camera daarom op een focuspunt en gebruik de toetsen of het aanraakscherm, als je camera dat heeft, om zelf te bepalen waar jij wilt dat de autofocus gebeurt. Als je niet kunt voorspellen waar je onderwerp zal opduiken, is het wel zinvol om alle, of een deel van de focuspunten te gebruiken. Denk aan een voetbalwedstrijd waar je een speler wilt volgen: die zal niet altijd netjes in het midden van het beeld blijven.

Witbalans

Je camera bevat een witbalansregeling die rekening houdt met de verschillende kleuren van het licht. Standaard staat die ingesteld op automatisch. De camera probeert er dan voor te zorgen dat een wit onderwerp op de foto ook wit is. Dat geeft niet altijd een goed resultaat: soms zit er geen sfeer meer in je foto doordat kaarslicht of een warme zonsondergang te ‘koel’ worden weergegeven.

Daarom zijn er voorinstellingen voor verschillende lichtbronnen, zoals gloeilampen, tl-buizen of schaduw. Als je een van deze voorinstellingen kiest, krijg je meestal een beter resultaat. Zeker als je in JPEG-formaat (zie verder) fotografeert is dat belangrijk, want dan kun je de kleuren nadien niet meer aanpassen zonder kwaliteitsverlies. Fotografeer je in RAW-formaat (zie verder), dan kun je de witbalans in nabewerking nog aanpassen. Tip: voor een warme zonsondergang zet je de witbalans op bewolkt. Probeer het maar!

Rauw of gekookt

Bij een reflex- en systeemcamera kun je kiezen in welk formaat je foto’s opgeslagen worden op de geheugenkaart. Het handigste is het JPEG-formaat. Dat is een kant-en-klare foto waar de camera zelf de kleuren, het contrast en de scherpte heeft aangepast om een zo mooi mogelijk resultaat te geven. Wil je je foto’s zo snel mogelijk kunnen zien en gebruiken, fotografeer dan in JPEG-formaat.

Het andere formaat is RAW. Een RAW-bestand bevat veel meer informatie dan een JPEG-bestand, en dat geeft je veel meer mogelijkheden als je het wilt nabewerken op je computer. Je kunt bijvoorbeeld de schaduwen wat helderder maken, de kleuren wat verschuiven of de witbalans (zie boven) aanpassen. Dit voordeel heeft echter ook een nadeel: je moet een RAW-bestand ook echt nabewerken voor je het kunt gebruiken, anders ziet het er flets uit. Bij je camera zit meestal een softwareprogramma van de camerabouwer zelf, maar je kunt ook andere RAW-software gebruiken.

Ben je helemaal klaar om aan de slag te gaan? Top! Toch nog benieuwd naar nog meer fototips? Lees dan hier verder!

Bekijk commentaar () Verberg commentaar ()